Black

hearing in full color
(zwa(a)r(t) luisterverhaal)


Alles om mij heen is zwart, is diepte
toch ben ik niet alleen want
Je schorre stem klinkt rauw in mijn oren
en vertelt, neemt, sleurt, trekt, mij mee
Naar plekken die ik nu
helderder kan zien dan voorheen

Man – in gedachten verzonken – hij is zwart

Vrouw – zij is kleur

INTRO

Hij: Zwart. Niets. Leeg. Een gat.

Zij: Zwart. Alles. Vol. Een berg.

DEEL 1 (hij)

Ik wandelde over straat, naar jou toe.

In gedachten verzonken… of zal ik zeggen, verdronken.

Ik passeer een jong meisje met hoge sokken, opgetrokken tot ver boven haar knieën, rugzak strak op haar rug. Ze ziet mij niet, haar ogen zijn gekluisterd aan het lichtgevend bakje vertier. Bijna botsen we, ze gilt lichtjes. Haar schoenen blinken, zwart. Zo’n detail zou me vroeger nooit opgevallen zijn.

Ik passeer het oude huis op mijn straat, dat ene huis met meer ziel dan alle andere huizen samen. Er brandt licht, iemand staat eenzaam aan de afwas nadat de huisgenoten zich één voor één loswrikten uit het tijdelijke verband dat eerder nog gesmeed werd om het avondmaal te nuttigen, samen. Ze staart naar buiten, of, naar het zwarte gat dat doorheen de dag nog een raam naar een andere wereld was, buiten en sluit kort de ogen, net iets langer dan noodzakelijk. Beiden zien we zwart.

Terwijl ik de deur opentrek moet ik denken aan die keer dat je voor me stond, naakt en onbewaakt. Onverwachts als je daar was, ik natuurlijk helemaal onvoorbereid had compleet verkeerd gereageerd. Ik had je beledigd. Dat dat mijn bedoeling niet was viel niet meer uit te leggen, je trok je zijden kamerjas aan en trok je terug in de slaapkamer. Ik bleef achter, gekrompen, in je sofa, een te kleine plaid over m’n knieën getrokken. Toen je ‘s ochtends opstond zette je meteen koffie, ik werd niet wakker van het geluid maar van de geur. Na een straffe kop leek alles vergeten, te verbleken bij het pikzwarte goedje. Je glimlachte naar me na je eerste slok. Opgelucht, maar moeilijk te begrijpen.

Vandaag open ik diezelfde deur en treft ik een muf luchtje aan, een luchtje van ‘lang niet geslapen’ en lang geen koffie gezet. Het plaidje op de sofa, de kamerjas aan de haak. Ik open het enige raam in de ruimte voor wat frisse lucht. Buiten hangt de stank nog erger dan binnen. Ik sluit het raam weer en ga op je bed zitten. Het zucht onder mijn gewicht, misschien wel de grootste reactie op mijn aanwezigheid die ik in tijden gekend heb. Met mijn ellebogen op mijn knieën laat ik mijn gezicht in mijn handen wegzakken. Hoe is het zo ver kunnen komen? Een snik ontsnapt aan mijn keel, klinkt veel te luid in deze kleine, duistere ruimte. Overal waar ik kijk een herinnering aan jou. De koffiekopjes die alleen jij mooi vindt. De theedoek op het aanrecht alsof je er zometeen nog een wasje mee zal drogen. Je sleutels aan het haakje bij de deur. Waarom je zo plots vertrokken bent, ik vraag het me nog elke dag af.

DEEL 2 (zij)

Het gevoel dat je hoofd zo vol zit, dat je denkt witte wolken langs je oren naar buiten te kunnen trekken. Het gevoel dat je schoenen van lood zijn in plaats van leer en je tong van rubber. Het gevoel dat je er niet aan kan ontsnappen, dat er geen ontkomen is, geen overkomen. 

Maar daarna ook weer bekomen. Er bovenop komen. Toch overkomen.

Het is zonnig vandaag, goudgeel, met een klein fris briesje. Ik trek mijn kraag wat hoger, mijn voetstappen versnellen automatisch. Wat zij niet weten, maar mijn hoofd wel, is waarheen. Mijn hoofd stapt liever wat trager. Dan kan het beter registreren wat mijn ogen gretig opnemen: het kind met het roze jasje en dito schoenen op de schommel, de hoogte in geduwd een grootste glimlach. Een bonte specht in de boom met blauwe knopjes. Mijn voeten strelen het zachtjes wiegende, groene gras waarin de laatste dauwdruppels wegsmelten, waarin de mieren ijverig klimmen. Zoiets zou me vroeger nooit opgevallen zijn.

Ik passeer de oude kerktoren, net wanneer de klokken beginnen te luiden. Enkele duiven schrikken op uit hun vertrouwde nest en strijken neer op het plein. Een kind loopt geanimeerd naar hen toe, de duiven worden opnieuw verjaagd. Ik laat me niet meer verjagen. Niet meer.

Er is zoveel lucht. 

Vandaag zie ik jou, voor het eerst sinds lang. Ik heb je nooit uitgelegd waarom ik vertrokken ben, ik kon het niet verwoorden. Vandaag ben ik klaar om het je te vertellen.

 

DEEL 3 (samen)

Het is opnieuw de geur van koffie die me uit mijn sluimer haalt. De kop die hier al meer dan een uur voor me staat is inmiddels koud geworden. Mijn ogen gaan op zoek naar de bron, glijden omhoog van de kop over een gebruinde arm met piepkleine, bijna witte haartjes, over een schouder waarop één goudbruine, krullende lok haar rust, naar van de kou blozende wangen om halt te houden in je diepgrijze ogen. Ogen die ik dacht nooit meer te zien.

Hé,” klinkt het, en het is meteen of je nooit bent weggeweest. “Ik dacht dat je die wel kon gebruiken,” vervolgt de stem die nu rechtstreeks van het lachende, optimistische gezicht voor me komt. “Het lijkt wel te onweren in je hoofd,”

Ze moest eens weten, een onweer is klein bier vergeleken met wat er omgaat in mijn hoofd. Ik mompel een ‘bedankt’ en neem een grote slok. Had ik inderdaad nodig. Ik sluit mijn ogen opnieuw enkele seconden. “Long time no see” uit ik tenslotte. Ze draagt haar haar in een losse knot, ziet er ontspannen uit. Opgelucht. Stilaan voel ik de mist in mijn hoofd wegtrekken.

OUTRO

Hij: Zwart. Niets. Leeg. Een gat.

Zij: Zwart. Alles. Vol. Een berg.